Voorstel 14 (bestuur + Fin.commissie):Beleggingsstatuut
VOORSTEL 14
Het bestuur stelt voor om het onderstaande Beleggingsstatuut vast te stellen als
richtlijn voor het vermogensbeheer door het bestuur.
De Algemene Vergadering heeft er in 2002 op aangedrongen om tot een dergelijk
Beleggingsstatuut te komen. Het onderstaande voorstel is een gezamenlijk ontwerp
van de KNDB-penningmeester en de Financiële Commissie:
Uitgangspunten
onder beleggen wordt verstaan het kopen van aandelen en/of obligaties dan wel
participaties in fondsen die in aandelen en/of obligaties beleggen;
slechts overtollige liquide middelen kunnen worden belegd;
maximaal 1/3 van de liquide middelen worden als overtollig beschouwd en deze mogen
1/3 van het eigen vermogen van de KNDB niet te boven gaan;
indien na het opmaken van de jaarrekening over enig jaar blijkt dat een van deze grenzen
is overschreden vindt binnen een half jaar na het vaststellen van de jaarrekening
aanpassing van de effectenportefeuille plaats, waardoor weer aan de gestelde grenzen
wordt voldaan;
ook m.b.t het handelen binnen de aangegeven grenzen dient de nodige voorzichtigheid in
acht te worden genomen: er wordt in principe slechts geparticipeerd in bedrijven/fondsen
waarvan het risico van insolventie zeer beperkt is.
Bevoegdheden
de penningmeester beheert namens het bestuur de beleggingsportefeuille;
aan- en verkoop van effecten (obligaties en/of aandelen) dan wel participaties in fondsen
die in effecten beleggen vinden slechts plaats nadat de penningmeester overleg heeft
gevoerd met een door het bestuur aangewezen tweede bestuurslid.
Verantwoording
jaarlijks legt het bestuur verantwoording af aan de Bondsraad over het gevoerde
beleggingsbeleid;
het afleggen van verantwoording vindt plaats in de vorm van een bijlage bij de
jaarrekening bestaande uit:
− het op de beleggingen gerealiseerde resultaat (koersresultaat, dividend en rente) over dit
jaar en het resultaat over de afgelopen vijf jaar;
− de stand van de beleggingsportefeuille begin jaar, de mutaties hierin binnen het jaar en
de stand per einde van het jaar , nader onderverdeeld in:
. naam aandelen/obligaties
. aankoopdatum
. aankoopkoers
. bijkomende kosten
. totale aankoopkosten
. koers en waarde op 1-1
. koers en waarde op 30-6
. koers en waarde op 31-12
. dividend/rente ontvangst (incl. ingehouden dividendbelasting)
. verkoopdatum
. verkoopopbrengst
. verkoopkosten
. netto verkoopopbrengst;
− en een toelichting op het gevoerde beleggingsbeleid.
